5 x 11 jaar

De Cascarvieten - Alphen aan den Rijn

Nieuwsoverzicht

11

NOV

Het enige echte verhaal van de geboorte van De Cascarvieten

Op een avond zat ik aan de bar in Cafe Markx toen  drankbroeder Theo Wigman op mijn schouder tikte en zei: “Waarom richten we hier in Alphen geen carnavalsvereniging op?”. Theo was een grote, brede man met  pretoogjes. Met zijn komst naar Alphen had hij de Brabantse gemoedelijkheid meegebracht. Brabander, dus hij wist alles van carnaval.  “Mooi idee”, zei  de vrouw achter de bar, Bep Markx. “Dat doen we”, zeiden wij gedrieën. En daarmee was de Alphense carnavalsvereniging geboren.  Althans, de geboorte was op komst want er moesten nogal wat weeën passeren voor het kindje ter wereld kwam. 

In het toen nogal confessionele Alphen kon, als we het niet diplomatiek aanpakten, een storm van protest opsteken. Daarom besloten we op de eerste vergadering met veel bier,  ’s avonds in huis bij Theo dat nieuwe leden (we hadden er nog niet één) geballoteerd zouden worden, waarmee we de gemeenschap wilden tonen dat het netjes zou blijven en de goegemeente niet de indruk zou krijgen dat er een goddeloze club van zuipers aan het ontstaan was. Ten tweede zouden we de burgemeester Bruins Slot om advies vragen en tenslotte de hoofdinspecteur van politie, N.G. Groothuyse, nederig  zijn medewerking verzoeken.  

Het was een gezegend toeval dat ik als verslaggever van Rijn en Gouwe beide machthebbers ook privé goed kende. Bruins Slot had geen enkel bezwaar “als het maar netjes bleef en wij in het voortraject via de pers bij de burgerij de benodigde goodwill zouden kweken, bijvoorbeeld door bejaardentehuizen in de campagne te betrekken”. Toen ik  even later in het oude gemeentehuis bij inspecteur Groothuyse  binnenstapte en onze plannen ontvouwde met de verzekering dat wij de steun van de burgemeester hadden, kon hij uiteraard niet anders dan de plannen toejuichen.  

Er volgden vele  drukke werkvergaderingen ten huize van Theo, vaak overgoten met zoveel moed gevende drankjes  dat we op een avond in het begin van de nacht besloten Bromsnor te bellen en hem te vragen of hij ter ondersteuning van een campagne voor de jeugd, voor wie wij een eieren-zoekfestijn zouden gaan organiseren, naar Alphen zou willen komen. Ik hoor het hem nog zeggen: “Alleen als ik met een helikopter kan arriveren en vertrekken”. Het klonk slaperig en niet eens boos omdat we hem wakker gebeld hadden. 

De volgende dag reden Theo en ik, nog licht in het hoofd en vol enthousiasme  naar het vliegveld in Rotterdam en huurden daar een helikopter, aanvankelijk zonder te weten waar we die van zouden betalen. Ik heb geen idee meer van de kosten maar die dekten dank zij een goede inval tijdens  een volgende vergadering bij Theo. We vonden dat we best reclameborden aan beide zijden van de vliegmachine konden verhuren. Dat  lukte. Een ervan maakte reclame voor het autobedrijf van Jaap Boot; de andere sponsor herinner ik mij niet meer. In de goeie ouwe Rijn en Gouwe maakte ik (wie dacht er aan belangenverstrengeling (?) uitvoerig melding van het spektakel en op een zaterdagmiddag stroomden honderden jongeren en ouderen naar de  plaats waar Bromsnor landde. In de omgeving daarvan hadden we ’s nachts honderd eieren verstopt.  Die eerste reclamecampagne werd een daverend succes.  

Met de tweede actie veroverden we het merendeel van de bejaarden door hen auto’s vol fruit te brengen. Met muziek van De Boerenkapel, die het lijforkest van de club zou worden,  gingen we van het ene naar het andere bejaardentehuis. En ook die actie werd een klapper. Er werd in het dorp gepraat over De Cascarvieten, zoals we de vereniging inmiddels hadden genoemd. Naar wiens idee, weet ik niet meer.  

Er volgden nog vele vergaderingen, andere activiteiten  en een bezoek aan de oude heer Van der Valk die meteen besloot een zaal te verhuren en op de allereerste carnavalsavond van de Cascarvieten dwaalden Bep Markx, Theo, ik en als ik het mij goed herinner Gerrit van Leeuwen, toegevoegd als “boekhouder”,  omstreeks acht uur vermoeid en gespannen door een totaal lege Avifaunazaal. Met een prins, want daarvoor hadden wij Albert Winninghoff gestrikt. Wij stopten hem die eerste avond honderd gulden toe. Een Prins moest tenslotte een drankje kunnen geven. Om negen uur kwamen de eerste klanten en om middernacht  gleed de nervositeit van ons af: de zaal was lekker gevuld met Alphenaren die aanvankelijk   onwennig, maar met het verstrijken van de tijd en het stromen van het bier steeds meer in de stemming kwamen en ten slotte de echte carnavalssfeer te pakken hadden.

Daarna kwam er een nieuw bestuur waarvan ik geen deel meer uitmaakte en van wie ik mij behalve Bep en Theo nog Gerrit van Leeuwen, Jan Drenth en Ben te Riele herinner. Ik heb De Cascarvieten verder op een afstandje gevolgd en door verhalen over hun toenemende activiteiten,  in Rijn en Gouwe uitvoerig bij de Alphenaren geïntroduceerd. Bijgestaan door Wil Dijkman die in het Leidsch Dagblad voor verhalen en foto’s zorgde. Op één van de avonden werden we beiden benoemd tot Ridder in de orde van De Vergulde Pen of zoiets en dat was best een aardige beloning voor onze bijdrage aan de voorspoedige geboorte van De Cascarvieten! 

Sjors Pijnse van der A †